Texts (in Dutch)

[this text was send to several newspapers and MP in The Netherlands]

Amsterdam, 17 juni 2011

“Rutte, wat richt je aan om 1,11% van je doel te behalen?”

Geachte redactie,  ik vraag uw aandacht voor een dreigende ramp in Nederland. Het betreft de cultuurpolitiek  van Rutte-1, en mijn vraag is deze: als een mens zich een doel heeft gesteld, wat is hij  dan bereid aan te richten om een symbolische 1,11% van dat doel te behalen?

Ik heb niet zoveel op met de Zijlstra-bashers onder ons. De staatssecretaris heeft (zoals  hij zelf ook zegt) weinig met cultuur, maar doet gewoon wat hem is opgedragen: een  bezuiniging van 200 miljoen euro vormgeven. Mijn punt is echter dit: die bezuiniging zelf  spot met het beschaafde imago van Nederland, terwijl ze een verwaarloosbaar rendement  heeft. Het weghalen van 200 miljoen bij cultuur maakt een sector kapot die de afgelopen  jaren bloeide en een eertse-klas exportproduct vormt waarop we terecht trots zijn. Het  ‘resultaat’ van de bezuiniging wordt overigens ook betwist: er zijn economen die zeggen  dat cultuur in zijn algemeenheid véél meer inkomsten genereert dan de direct zichtbare  (kaartverkoop). Overigens is de waarde van een gezond cultureel klimaat uiteraard niet in  economische termen te vatten.

Maar het belangrijkste is momenteel dit: de schade die het wegsnijden van 200 miljoen  veroorzaakt staat in geen enkele verhouding tot de invloed ervan op het bedrag van 18  miljard dat Rutte in totaal wenst te bezuinigen. De Duitse collega van Zijlstra, de  christendemocraat Bernd Neumann (Bundesstaatsminister für Kultur und Medien)  verwoordde het eind 2010 alsvolgt. “Met bezuinigingen op cultuur kan je geen begroting  saneren, omdat de cultuuruitgaven slechts een schamele 1,9 procent bedragen van de  totale begroting. Zelfs drastisch snijden in de cultuuruitgaven levert geen  noemenswaardige bezuiniging op, terwijl het wel schade toebrengt aan vele kleine en ook  grotere culturele instellingen en activiteiten die onze maatschappij zo levendig en de  moeite waard maken.” (*) Een extra pijnlijk inzicht hierbij is dat in Nederland de  rijksbijdrage aan de cultuur zelfs kleiner is dan in Duitsland.  De 200 miljoen die Zijlstra moet wegsnijden vormt slechts 1,11% van Ruttes 18 miljard,  maar het is tegelijkertijd 22% (!) van het bedrag waarmee de staat tot-nog-toe cultuur  ondersteunde en toegankelijk maakte voor een groot publiek – en dat dus terwijl in  Nederland minder staatsgeld naar cultuur gaat dan in ons omringende landen.

De  verwijzing die Zijlstra maakt naar de Verenigde Staten is pijnlijk: ik kom er met enige  regelmaat en kan u verzekeren dat het culturele lanschap daar (m.u.v. enkele metropolen)  het meest weg heeft van een woestijn.   Kortom 200 miljoen weghalen bij cultuur: het is gewoon geen goed idee. De schade is  ontzaglijk, terwijl het nauwelijks (volgens recent in het nieuws getreden economen zelfs  géén) winst oplevert.

Ik kan maar één plausibele reden ontwaren voor de onevenredige cultuurkorting:  symboolpolitiek. De framing waarmee cultuur in Nederland sinds een half jaar wordt  weggezet als zijnde links (wie bedenkt zoiets?) is al bedenkelijk, maar ronduit beschamend  is het feit dat onze eigen premier ijskoud liegt over zaalbezettingen. Zolang hij zijn  tendentieuze leugen over ‘al die voorstellingen waar alleen de eerste twee rijen bezet zijn’  niet corrigeert, verdient hij in het cultuurdebat niets dan hoon. Die leugen verraadt dat  Rutte een imago-strijd voert (deze bezuiniging gaat niet over geld: zie die 1,11%).

Begrijp me niet verkeerd: ik vind het logisch dat er bij iedere nieuwe ploeg in Den Haag  ook een frisse wind door de cultuursector waait. Ieder kabinet zet zijn accenten: de één  meer op educatie, de ander op traditionele cultuurdragers of juist op populaire cultuur, of  innovatie. Maar dat is iets anders dan de culturele infrastructuur van een land om zeep  brengen. Tot slot: één van de pijnlijke factoren in dit verhaal is dat het grote publiek de  gevolgen van de bezuiniging, mocht ze echt plaatsvinden, pas in 2013 gaat merken in de  vorm van een grote verschraling van het aanbod. En daarom spreek ik u aan: om  aandacht te schenken aan deze dreigende ramp.

Help te voorkomen dat de Nederlandse culturele infrastructuur geslachtofferd wordt ten  bate van een bezuiniging die in perspectief slechts als symbolisch kan worden gezien.  Dank u wel.

Met vriendelijke groet,  Alban Wesly

PS – Ik wil benadrukken dat dit schrijven niet als doel heeft mijn eigen hachje te  verdedigen (ik ben als musicus hoofdzakelijk werkzaam bij twee groepen: het Nederlandse  rietkwintet Calefax dat alom geprezen wordt om zijn cultureel ondernemerschap en  geringe subsidieafhankelijkheid; daarnaast bij ‘die musikFabrik’ in Keulen). Nee, ik schrijf  U dit gewoon als mens, en ‘cultuurconsument’, zeer bezorgd en boos over de gang van  zaken.

* PRESSEMITTEILUNG NR.: 329 Bundesregierung, 15 sept 2010, Bernd Neumann:  „Mit Kürzungen  bei der Kultur kann man keine Haushalte sanieren, denn der Anteil der Kulturausgaben in Ländern und  Gemeinden in Deutschland liegt bei mageren 1,9 Prozent. Selbst drastisches Sparen bei den  Kulturausgaben bringt keinen bemerkenswerten Konsolidierungserfolg, aber es zerschlägt so viele  kleine aber auch große kulturelle Einrichtungen und Aktivitäten, die unsere Gesellschaft so bunt und  lebenswert machen.”

Below a text (in Dutch) written in 2008 for the ‘Waterlanders’ programma. More personal and recent texts (also in Dutch) can be found under the menu above: ‘Moment van de dag’.

WIJ WATERLANDERS (geschreven voor preludium, mei 2008)

“Ketelbinkie ontmoet Ophelia”

Een muziektheatrale avond over het water in de Westerse muziek en in ons land beneden de waterspiegel. Afwisselend heroïsch, dramatisch, geestig en… nat. (Het publiek blijft droog.) Terugkerend element in de avond zijn de Seven Tears van John Dowland.

“De Zuiderzee voor de paling, de Noordzee voor het strand, de grote oceanen voor de koopvaart, en dan nog al die binnenwateren voor botter, aak of rubberboot; zeeën en wateren in overvloed, en de Hollander heeft er door de jaren heen in een gepassioneerde haat-liefdeverhouding mee geleefd,” schreef Jan Blokker op 19 oktober 2007 in NRC Handelsblad in zijn recensie van twee kloeke boekwerken over dit onderwerp. Rietkwintet Calefax en bariton Marc Pantus delen deze passie en zijn in de muzikale archieven gedoken om te zien of zij ook boven is komen drijven in de gecomponeerde muziek. We zochten stormachtig sentiment uit Nederland, maar ook uit de ons omringende landen. Het gaat in Wij Waterlanders om de verbinding tussen water en weemoed. Om zowel de emotionele associatiekracht van water, als de waterlanders die uit ogen springen bij een ‘volstromend gemoed’. In dit programma dus geen ‘Twee emmertjes water halen’ of ‘Water Music’ van Händel, maar het tragische verhaal van Ketelbinkie (de straatjongen van Rotterdam) en de Seven Tears van Dowland.

“MET KAKKERLAKKEN IN DE MIDSCHEEPS”
Als er één Nederlands lied is dat zich overgeeft aan nostalgie over het vervlogen zee-landschap, dan is het de Zuiderzeeballade (1958), die mijmerende verwijzing naar de tijd van vóór de Afsluitdijk (1932). Een rauwer leven wordt geschilderd in Ketelbinkie (de straatjongen van Rotterdam), al begint het nog onschuldig:
Toen wij van Rotterdam vertrokken
met de Edam, een ouwe schuit,
met kakkerlakken in de midscheeps
en rattennesten in ‘t vooruit,
toen hadden we een kleine jongen
als ketelbink bij ons aan boord,
die voor de eerste keer naar zee ging
en nooit van haaien had gehoord.

Beide liederen behoren tot de succesnummers van het variété en vinden nu, in een nieuw arrangement voor rietkwintet, eindelijk ook erkenning in de concertzaal. Ook de hedendaagse vaderlandse poëzie stroomt over van het water, en vindt zijn plek in de muziek. Mijn eigen compositie ‘Het stenen hoofd’ is geïnspireerd op het gedicht ‘LAMENTO’ van Remco Campert (uit: Rechterschoenen (1992), De Bezige Bij). De eerste strofe luidt alsvolgt.

Hier nu      langs het lange diepe water
dat ik dacht dat ik dacht dat je altijd maar
dat je altijd maar

In twaalf strofes schildert Campert een liefdevolle en milde, maar door-en-door trieste mijmering over een voorbije tijd, een stokkend leven. De compositie Het stenen hoofd is een muzikale interpretatie van het gedicht, woord voor woord. De titel van de compositie verwijst naar het ‘Stenen hoofd’, een klein schiereiland in het Amsterdamse IJ, waar Camperts zinsnede ‘Langs het lange diepe water’ uit dit gedicht mij telkens weer aan doet denken. Op het Stenen hoofd heeft men een schitterend zicht op de passerende schepen en de vergane glorie van een graansilo, de sfeer is er een van mooi verval. Net als in het gedicht van Campert, komen in deze compositie telkens weer flarden gedachten langs, soms mild, soms heftig. Een mozaiek van herinneringen.

“SIP, SWIG, GULP”
Wij Nederlanders hebben natuurlijk niet het alleenrecht op de machtige inspiratie die water geeft. Tijdens het programma vissen we ook uit de muzikale vijvers van de landen om ons heen. Een zacht dobberend rustpunt in het woelige programma is de ‘Drinking and Hooting Machine’ (1968) van de Engelse componist John White. Er zijn kunstenaars die  hun verdriet omzetten in hoogst geïnspireerde werken, er zijn er die in vertwijfeling naar de fles grijpen. White (1936) doet dat laatste, maar zonder een spoor van wanhoop, want bij hem is de fles, is het water zelf muziekinstrument geworden. Hier zijn het aangeblazen flessen die klank produceren, en is de afnemende hoeveelheid vocht in die flessen bepalend voor de toonhoogte. Procesmuziek in optima forma – maar met een onverwacht poëtische werking: het is niet moeilijk om in de dalende tonen van de steeds legere flessen de muzikale neerslag te horen van leegte.

Wat in de hierboven geciteerde, positieve opsomming van Jan Blokker ontbreekt is een fatale ‘toepassing’ van water: er in te verdrinken. Een onontkoombaar karakter in Wij Waterlanders is de beroemdste verdrinker uit de (muziek)geschiedenis: Shakespeare’s Ophelia, de geliefde van Hamlet. Haar uitzonderlijke levenseinde, namelijk al zingend te verdrinken, heeft niet alleen veel schilders maar ook componisten geïnspireerd. Met een muziek die schuldloos golft als de beek waarin Ophelia zojuist gevallen is, schildert Berlioz hoe de opbollende jurk die haar eerst nog drijvend houdt, zich uiteindelijk volzuigt met water en Ophelia de diepte in trekt. Kurt Weill’s ‘Ballade vom ertrunkenen Mädchen’ lijkt wel een vervolg te zijn op Berlioz. Onze drenkeling dobbert verder, vanuit beken in grotere rivieren, wier en algen hechten zich aan haar, planten en dieren verzwaren haar laatste tocht totdat, uiteindelijk, zelfs God haar vergeet. Hierbij schieten zelfs de variaties aan traanvormen die John Dowland toondicht in zijn Seven Tears te kort.

Houden Nederlandse klassiekers als de Zuiderzeeballade stand naast grootmeesters Berlioz, Weill en Dowland? Verdragen Ophelia en Ketelbinkie elkaar op het podium? Wij Waterlanders mogen het weten.

>A.W.<

WIJ WATERLANDERS
Calefax rietkwintet
Marc Pantus bariton
Gijs de Lange regie
Lynne Leegte decor
Desirée van Gelderen licht

John Dowland (1563-1623)     Seven Tears, or Lachrimae
Jan Vogel (1902-1983)         Ketelbinkie

Joop de Leur (1900-1967)    Zuiderzeeballade
John White (1936)             Drinking and Hooting Machine (1968)
Alban Wesly (1967)            Het stenen hoofd (1998)
Hector Berlioz (1803-1869)     La mort d’Ophélie (1848)
Kurt Weill (1900-1950)         Als sie ertrunken war (Ballade)
John Dowland (1563-1623)     Flow, my Tears